Energiebesparing blijft hoog op de agenda staan in Nederland. Maar de sleutel tot een menswaardige toekomst ligt juist in het produceren én consumeren van meer energie. Daarom moeten we nu doorschakelen van een ethiek van beperking naar een agenda van overvloed, schrijft Ralf Bodelier.
Ralf Bodelier, Financieele Dagblad, 13 juni.
Waarom zetten we niet in op overvloed aan energie? Op een wereldwijde verdubbeling van onze productie van warmte en elektriciteit?
Het lijkt misschien een radicale stap. Utopisch en onhaalbaar. Maar is het niet de meest logische? De wereldbevolking groeit door tot tien miljard in 2050 – en iedereen wil een welvarend leven. Zelfs wanneer onze efficiëntie in energiegebruik sterk toeneemt, dan nog vraagt een menswaardige toekomst voor iedereen om een gigantische sprong in onze productie én consumptie van energie.
Een overvloed aan energie betekent bovendien goedkope energie. En met goedkope energie ontketenen we een nieuwe fase in onze menselijke emancipatie. Vergelijk het eens met voedsel: rond 1900 gaven we in Europa bij 60% van ons inkomen uit aan maaltijden. Dankzij sterk dalende voedselprijzen ligt dat aandeel vandaag rond de 13%. Het geld dat vrijkwam, staken we in beter wonen, verder leren en studeren, vervoer en vrije tijd.
Of vergelijk het met onderwijs: rond 1900 ging in Europa nog maar de helft van alle kinderen naar school. Dankzij massale overheidsinvesteringen, schaalvergroting en standaardisering is het vandaag 100%. En vergelijk het ook met AI: een explosieve daling van de kosten voor computerkracht maakte de weg vrij voor kunstmatige intelligentie.
Club van Rome
Maar wanneer het gaat over energie, denken we zelden in termen van overvloed. Op zijn best hebben we het over een energietransitie. Daarbij wensen we vooral onze energiecapaciteit niet te vermeerderen, maar hopen hem louter uit nieuwe, CO2-arme bronnen te halen.
Liever spreken we over besparing, consuminderen en degrowth. Stel op een verjaardagsfeestje de vraag of we meer of minder energie moeten produceren, en de meeste mensen kiezen voor dat laatste. Opmerkelijk genoeg zijn het juist degenen die zeggen zich zorgen te maken over armoede, ongelijkheid, natuur en milieu.
Dit dominante sentiment is het resultaat van vijftig jaar ecologisch denken, ingegeven door het invloedrijke rapport ‘Grenzen aan de groei’ van de Club van Rome uit 1972. Al die jaren wordt ons al verteld dat economische groei moreel onverantwoord is en dat het opwekken van energie gelijk staat aan vervuiling en uitputting. Decennialang voedden overheden en milieucampagnes deze ‘ethiek van beperking’ en begonnen we ons energieverbruik te zien als een morele zonde. De deugdzame burger werd hij die de thermostaat lager zet, die niet meer vliegt en nog maar vijf minuten doucht.
De beroemde bioloog Paul Ehrlich meende in de jaren zeventig zelfs dat het geven van overvloedige energie aan de mensheid gelijkstond aan het geven van een machinegeweer aan een idioot.
Geen zonde
Het is echter tijd om door te schakelen. Naar een agenda van overvloed aan energie uit wind, zon, uranium en geothermie.
Veel natuur- en milieuproblemen worden immers niet veroorzaakt door de opgewekte joules of kilowatturen. Die problemen werden immers veroorzaakt door de fossiele energie waarmee deze energie werd geproduceerd. Nu we onze energieproductie stap voor stap loskoppelen van de uitstoot van CO₂ en van vervuiling, verdwijnt ook de morele noodzaak om het gebruik van energie te beperken.
Vanzelfsprekend vereist het opwekken van een astronomische hoeveelheid energie ook een astronomische hoeveelheid koper, neodymium, lithium, beton en staal. Al maakt juist een overvloed aan goedkope energie het mogelijk om alternatieven te ontwikkelen voor de inzet van deze materialen, of om deze materialen in de toekomst goed te recyclen.
Energie is geen zonde. Energie was altijd al de basis van vooruitgang – van de houtzaagmolens in de Zaanstreek die grootschalige scheepsbouw mogelijk maakten, tot de waterkrachtcentrales in de Verenigde Staten in het midden van de twintigste eeuw die voor veel plattelandsgezinnen de vooruitgang inleidden. Energie is de motor van onze emancipatie uit de natuur, van onze welvaart en uiteindelijk van ons geluk. Wat we nodig hebben is een high energy planet, aangejaagd door gigantische hoeveelheden energie.
Schaalsprong
Nederland, ons kleine Nederland, lijkt daar inmiddels werk van te maken. Op de Noordzee wordt gebouwd aan een windvermogen van maar liefst 70 gigawatt in 2050. Dat is meer dan drie keer zoveel als de 20 gigawatt die we gebruiken op een koude, donkere winteravond wanneer alle lichten, warmtepompen en fabrieken aanstaan.Tegelijkertijd zegt het kabinet-Jetten tempo te maken met de voorbereidingen voor ten minste vier nieuwe, grote kerncentrales. Wanneer de zon een tijd niet schijnt en de wind minder waait, voorzien die centrales Nederland van een fundament aan warmte en elektriciteit.
Ook de Europese Unie maakt vaart. In april stemde het Europees Parlement voor AccelerateEU, een bundeling van maatregelen waarmee Europa probeert onafhankelijk te worden van energie uit Rusland en het Midden-Oosten. Een van die maatregelen is het bevorderen van de snelle ontwikkeling van kleine modulaire kernreactoren (SMR’s). Hoewel ze de markt nog op moeten, kunnen ze – gecertificeerd en dankzij een gestandaardiseerde fabrieksproductie – in een hoog tempo over Europa worden uitgerold.
Nieuwe revolutie
Hoewel de drijvende krachten hierachter groene idealen en geopolitieke zorgen, kan het streven naar energieovervloed de weg vrijmaken voor een nieuwe industriële revolutie. Een revolutie, vergelijkbaar met die kenden in de negentiende eeuw – toen op basis van fossiele brandstoffen.
Met goedkope stroom drijven we straks processen aan die nu nog schier onbetaalbaar zijn. Eén daarvan is de grootschalige productie van zoetwater om droogte te bestrijden –ook in deltaland Nederland, waar juist verzilting op de loer ligt. Een andere mogelijkheid is het verticaal verbouwen van voedsel in onze steden, wat in de beperkte ruimte een must is. Met goedkope energie bouwen we bovendien wereldwijd sterkere dijken, huizen en airconditioners en vangen daarmee de gevolgen van de klimaatverandering op.
En meer dan dat: met een overvloed aan energie komen technieken als Direct Air Capture dichterbij, waarbij we CO2 rechtstreeks uit de lucht zuigen om er groene kerosine of groen beton van te maken. Hoewel dit technisch al kan, is het momenteel financieel onhaalbaar vanwege de hoge energiekosten.
Een koploper willen zijn
De vraag naar overvloedige, goedkope energie beperkt zich niet tot het rijke Westen. Een te groot deel van de wereldbevolking leeft juist met veel te weinig energie. Ruim miljard mensen wereldwijd zijn voor koken en verwarming aangewezen op hout en houtskool: een van de belangrijkste redenen van ontbossing in delen van Afrika. Meer dan drie miljoen mensen overlijden jaarlijks aan de gevolgen van de vuile lucht die daarbij vrijkomt.
Willen we dat ook deze mensen een menswaardig bestaan kunnen leiden zonder het klimaat verder te belasten, dan is een enorme toename van schone opwekking de enige route.
Nergens is de kans op succes zo groot als in Europa. We hebben zelf geen fossiele brandstoffen en willen niet langer afhankelijk zijn van Rusland, het Midden-Oosten of de VS. Dit maakt Europa de ideale bodem om massaal te kiezen voor een overvloed aan CO₂-vrije energie.
Door massaal te investeren in vroege, dure generaties van nieuwe technologieën draagt het rijke Europa de ontwikkelingskosten voor de rest. Zodra deze innovaties gestandaardiseerd zijn, nemen landen in Azië, Latijns-Amerika en uiteraard Afrika deze over. Ze slaan daarmee de vervuilende tussenstappen over die nog gezet moesten worden.
Versnellingsroutes gezocht
Zover zijn we helaas nog lang niet. Onze energieovervloed zit nog in de luiers. Dat komt niet door het ontbreken van de juiste technologie. Eerder ligt het aan onze vertragende bureaucratie en aan het gebrek aan standaardisatie.
Willen we onze energieproductie verdubbelen, dan hebben we groene versnellingsroutes nodig. Nu duurt het gemiddeld tien jaar voor windparken en kerncentrales een vergunning krijgen. Willen we werk maken van energieovervloed, dan moet dat naar hooguit anderhalf of twee jaar. Ook zijn versnellingsroutes nodig voor het verzwaren van het elektriciteitsnet en de opslag van elektriciteit in waterstof en batterijen.
Het grootste obstakel zit echter in ons hoofd. Te veel Europeanen denken nog in termen van consuminderen en degrowth. We kunnen de stap naar energieovervloed pas zetten wanneer we expliciet breken met ‘Grenzen aan de groei’ – een ideologie die vijftig jaar geleden nog te verdedigen viel, maar wordt ingehaald door de snelle opkomst van schone energie.
Het wordt daarom tijd om afscheid te nemen van het denken in minder; in minder energie, minder groei en minder consumptie. We moeten juist inzetten op méér. Op meer groei, meer welvaart en meer geluk voor iedereen. Aangedreven door veel meer energie.
Ralf Bodelier is filosoof en leidt met zijn organisatie CuriCos.nl sessies rond data, hoop en vooruitgang.
Foto is van Alexandra_Koch, via Pixabay




